Ik loop in mijn favoriete honden-losloop-bos met Boba. Het heeft net geregend, alles ruikt heerlijk. Op een punt waar paadjes bij elkaar komen zie ik de vrouw met de roedel. Zij heeft twee grote herders mee. Hier loop ik zonder uitzondering altijd van weg. Mijn hond is te onderdaning voor herders. Het is geen goede combinatie.
Ik sla een ander pad in, dirigeer Boba met mee die me opgelucht aankijkt. Tegelijkertijd lijnt een man zijn hond aan. Ook vooor deze roedel en de herders. Zijn hond kan de hele dag van de rel zijn na een ontmoeting met deze honden. Weet hij uit ervaring.
Samen lopen we de andere kant op. Hij zegt dat hij hier iedere dag komt. Dat hij iets teveel vrije tijd heeft. Dan weet ik meteen dat hier een verhaal zit dat eruit wil. Ik kijk hem vragend aan. Hij is ziek. Leukemie. En het ziet er niet goed uit.
Dit heb ik vaker, hier in het bos. Een toevallige ontmoeting met iemand die ik niet ken. Met na drie zinnen helderheid over een gedeelde verlieservaring. Alsof we het waarnemen zonder dat je dit aan de buitenkant ziet. Het zit in de subtiliteit van een woord, een toon, aarzeling of blik. We lezen het bij elkaar.
Het gesprek wat dan volgt is zonder voorzichtigheid. Vrees om iets te zeggen wat een ander niet aan zou kunnen verdampt. De laag van beleefdheid doet niet meer mee. Er is direct een resonantie op het doorleefde gevoel.
De man vertelt hoe fit hij altijd was. Dat je ook ziek kunt worden als je gezond leeft. Hoe shit het is dat je samen alles goed moet regelen terwijl je vecht voor je leven. Hoe zijn vrouw bezorgdheid toont wat naast betrokken ook zo beklemmend kan zijn, hij wil geen patient zijn. Hoe ze gedreven door levenshaast naar Rome zijn gefietst inclusief alle fysieke ongemakken. Een droom die Matthijs en ik ook voor onszelf voor ogen hadden, ooit. Nooit.
De man vraagt wat ik doe om het te verwerken. Precies op dat moment passeert een hardloper die enthousiast gedag zegt. Een oud-collega. Achterom kijkend roept ze dat ze Vloedlijn zo mooi vindt. ‘Schrijven’, zeg ik tegen de man.
De honden zijn de grote verbinders hierin, die maken het eerste contact. Even aan elkaar snuffelen, spelen, en als het genoeg is schudden ze de spanning los en gaan vanzelf weer hun eigen weg.
De man checkt even of het goed is dat we samen oplopen. Ik zeg ja. En dat ik zo ook nog een stukje zelf wil lopen. Dat regelt zich vanzelf. Paadjes genoeg. Het zijn mooie ontmoetingen, en het is intens. Ik zie beelden in mijn hoofd van mijn eigen verhaal wat allerlei gevoelens oproepen.
Terwijl ik mijn rondje alleen verder loop schud ik het ook weer van me af. Het is beleefd en ervaren. En dat is genoeg. Precies zoals honden dat doen.


Geef een reactie